Rejoignez-nous sur facebook

GROTTE CHAUVET - PONT d'ARC


ONTDEKKING van de GROT : HISTORIEK
French English Español Italiano Nederlands Deutsch PycckNN

Beschikbaar in de boekenhandel !
Grotte Chauvet booklet
Details boekje Ontdekkers
72 pagina’s, 84 illustraties - 15€
Te koop in de boekhandel en bij ÉQUINOXE

Historiek van de ontdekking van de Grotte Chauvet
en andere aangrenzende grotten

In avant-première, fragmenten uit het boek over de ontdekking verteld door de ontdekkers : Jean-Marie Chauvet, Eliette Brunel and Christian Hillaire
Copyright Brunel/Chauvet /Hillaire 2014

Ontdekkingen rond de toekomstige Grotte Chauvet

Tijdens de jaren 1993-1994 hebben wij, Jean-Marie, Eliette en Christian, alle drie bij uitstek de cirque d’Estre gefrequenteerd, de meander die de Pont d’Arc omcrikelt – en waar de grotte Chauvet gesitueerd is, toen nog onbekend voor allen.

(…)

Met behulp van touwen passeerden we van de ene richel naar de andere, en hebben we in die periode in de rotswanden verscheidene onbekende afbeeldingen van rotskunst ontdekt, in de grotten die in de buurt liggen van degene die wij later zouden ontdekken, de «grotte Chauvet». Zonder te weten wat er zich daarachter bevond, hadden we reeds een «kleine abri» onderzocht die later het ingangszaaltje zou worden van de Grotte Chauvet.

Na de ontdekking van de grotte Chauvet, hebben verscheidene personen zich gemeld als zouden zij de grot reeds kennen : speleologen, een houthakker, jagers en zelfs een speleo die ondertussen spijtig genoeg overleden is maar die ons al glimlachend toevertrouwde dat hij en zijn vrouw er hun huwelijksnacht hebben doorgebracht, meer dan 30 jaar geleden…

(…)

Onder onze ontdekkingen van eind 1993 was er onder andere een Venus in de «grotte du Planchard» vlakbij, waarvan wij onmiddellijk het bestaan hebben gemeld bij de DRAC Rhône-Alpes, en die werd beschouwd als belangrijk werk in de symboliek van de versierde grotten door professor Gerhard Bosinski, wereldexpert op het gebied van de vrouwelijke paleolithische representatie. Deze schildering van ongeveer 20 cm hoogte, getekend met rode oker, was toen het hoogtepunt van onze speleologische pelgrimstocht in deze sector.

Enkele maanden later, begin 1994, hebben we met de vingers gemaakte trekken, bedekt met calciet, gevonden in de daarnaast gelegen «bergerie de Charmasson». Deze zijn eveneens aan de DRAC gemeld, maar hebben slechts een bijkomstige interesse gewekt.

Na de ontdekking van de grotte Chauvet in december 1994, zijn deze twee grotten zeer belangrijk geworden, aangezien de drie grotten onderling slechts enkele tientallen meters van elkaar verwijderd zijn.

Op een zakdoek groot, de 3 grotten: Chauvet, Planchard en Charmasson. Zicht vanaf het platform van Chauvet.


Uit deze periode dateren eveneens de ontdekking op één van de hoogst gelegen richels onder het plateau, van een gegraveerd hinkelspel nabij de ingang van de «grotte de la Vacheresse», alsook veel oudere gravures van mammoeten, die we hebben gevonden in de spelonken van de eerste zaal.

…………………………..

… Om terug te komen op die 18de december 1994, dreigde Jean-Marie solo te gaan indien niemand hem wilde volgen.

Tenslotte is de sector bijzonder aangenaam in volle winter, blootgesteld aan de zon en volledig uit de wind.

We verlaten onze parkeerplaats aan de Pont d’Arc bij het begin van de namiddag en volgen de bosweg die langs de helling stijgt. Het zicht is mooi, het weer is aangenaam. Al hijgend overwinnen we de honderd meters hoogteverschil die ons naar de voet van de rotswand leiden, terwijl we onderweg verschillende, volledig droge grotten opnieuw bezoeken. We blijven er niet rondhangen, want Jean-Marie staat erop dat we een ultiem bezoek brengen aan een «kleine abri», die we nog hoger onder de rotswand kennen.



Tijdens de lente van hetzelfde jaar, toen we ons in de buurt bevonden met andere speleovrienden, Sylvane Lucot, Michel Rosa gekend als «Baba» en Didier Lanthelme, en hen in passant onze ontdekkingen onthulden van de rotstekeningen van de maanden voordien in de grotten van «Charmasson» en van de «Planchard», waren we nog eens gestopt in deze «abri». En zoals in de vorige grotten, hadden we er alle hoekjes van herbezocht, op zoek naar de minste luchtstroom, tot we er eentje gevonden hadden en samen hadden geprobeerd om een doorgang te vinden, in de hoop op een mirakel zoals altijd…

Spijtig genoeg, nogmaals, na een tweetal onvruchtbare uurtjes, zakte de moraal van de troepen zodanig, dat we het gat zonder vervolg hadden geklasseerd: ongetwijfeld een gewone «doorsteek» die enkele meters verder in de rots zou uitkomen.

… Luchtstroom in wat voor sommigen een gewoon tochtgat bleef, was voor anderen wind... en werd niet unaniem als tocht bestempeld. «Tochtgaten zoals dit, kennen we genoeg in de gorges… we gaan onze dag hier niet passeren... » voegde Baba (Michel Rosa) er aan toe.

… Het was inderdaad slechts een tochtend gat meer op onze lange lijst en om drie uur ‘s namiddags hadden we besloten om dit «gat» te verlaten en ergens anders te gaan kijken.

Terwijl Didier en Baba hun richel volgden naar het plateau, daalde de rest van de ploeg verder af om een andere ingang te exploreren (een porche van waaruit we vol de vlooien terugkeerden... de gevaren van de speleologie zijn van verschillende aard!).

(…)

Maar deze 18de december, waren we alle drie, Jean-Marie, Eliette et Christian, ter plaatse. Klaarblijkelijk was er niets veranderd sinds onze sessie in de lente en het aspect was nog steeds weinig uitnodigend. We brandden een wierookstokje aan de ingang van het gaatje... en de rook kwam naar ons toe. Deze bevestigde ons dat zich een lichte tocht doorheen de keien filterde, hetgeen ons er toe aanzette om ons actief blokken te beginnen ruimen. Voor ons was dit uiteindelijk niet gewoon een «tochtgat» ! We waren zulke gaten al gewoon.

(…)

Zonder tijd te verliezen, elkaar aflossend, centimeter per centimeter, hebben we ons een smalle doorgang gegraven. Om in deze buis vooruit te komen, was er slechts één middel: al liggend, met de hamer in de ene hand, de beitel in de andere, de armen vooruit in het gangetje (anders passeert men niet) et vooral, het hoofd naar beneden en na enkele minuten zat onze lamp opzij.

Zodra degene die vooraan lag te beitelen zoals hij kon, teneinde het conglomeraat te verbrijzelen zodat we het naar buiten konden brengen, moesten de andere twee deze er bij de voeten uittrekken, met de armen vol steengruis – want er was geen kwestie van met lege handen terug te komen !

De harde realiteit van de desobstructie was die van dikwijls op zijn vingers slaan, gepaard gaande met het nodige gevloek, de twijfel over enig vervolg, en de zekerheid dat, indien men ons verplichtte, we het zeker niet zouden doen.

Maar ook de blik van de verlichter op zoek naar de minste verwijding van de kruipgang, veel verder. In de hoop dat de kleine steen achter zijn vingers plaats zou ruimen voor een enorme leegte, met de echo die verloren ging in kilometers gangen, daar, net voorbij een bocht in de galerij... Zoals voor alle speleo’s: de spier, het hoofd, de hoop, de passie en een beetje gek zijn.

Langzaam kreeg de versmalling vorm, een smalle bochtige gang. Het was pas na zeven uren en even veel meters desobstructie, na een veelvoud van aflossingen en onophoudelijk heen- en weer gekruip dat Eliette, de magerste, in ruil voor energiek geturn, de versmalling passeerde en uitkwam in een groter deel waarin de zich kon rechtzetten. Daar voorbij strekte de galerij zich nog enkele meters horizontaal uit. Ze ging verder en plots... het onverwachte! Zij stond aan een overhang, met een grote leegte onder haar voeten…

Jean-Marie en Christian waren ongeduldig om de exploratie te vervolgen. Ze wisten zeker dat ze niet konden passeren omdat ze corpulenter waren dan zij, en Eliette dook terug de versmalling in en klopte met hamer en beitel een maximum aan bultjes weg om hen toe te laten op hun beurt de hindernis te passeren. Na veelvuldige pogingen slaagden zij er op hun beurt in haar te vervoegen, na een beetje huid en bloed te hebben achtergelaten in de versmalling die nauwelijks groot genoeg was voor hen.

Na 7 meter smalle kruipgang, finale verwijding


(…)

Terug naar de grot met Carole (dochter van Eliette), die vertelt :

Ze zijn onthutst teruggekomen, en vertelden uitgeput dat ze een grot « erger dan Lascaux » hadden gevonden.
« De explo is nog niet voorbij, want onze lampen vielen uit ».

We zijn met z’n allen terug vertrokken, opeengeperst in een citroënnetje. Met nieuwe batterijen in onze lampen gooiden we de kits op onze rug en verlieten de parking van de Auberge du Pont- d’Arc, doorheen de bossen, achter mekaar slingerend over het rotsige, gladde pad, tijdens de decembernacht.

(…)

… We voelen ons plots naar een andere onbekende wereld geprojecteerd, zonder enig aanknopingspunt in de ruimte, noch in de tijd…
… Het is al na middernacht wanneer we uit de grot komen, uit noodzaak gedwongen... Teveel emoties…


En de indruk alsof we iets onbeschrijfelijk in de grot hebben wakker gemaakt.
Een aanwezigheid, die er al duizenden jaren opgesloten zit, en ons nu met zijn blik blijkt te volgen.
Het gevoel van onderdrukking barst beetje bij beetje uit.

(…)

Eens terug buiten, werden we ons ineens bewust van hetgeen ons overkwam, terwijl we machinaal stenen opeenstapelden om de versmalling te camoufleren.
We waren binnengetreden in een ruimte die tienduizenden jaren ongeschonden was gebleven, een intact heiligdom. Een site die op miraculeuze wijze in optimale omstandigheden gedurende millennia in optimale conditie was gebleven.
Al hetgene we gezien hadden, vormde stof tot nadenken over de oneindige studiemogelijkheden van de site en over de verantwoordelijkheid die op ons woog als ontdekkers er van.

We zijn de eerste schakel geworden in een onzichtbare keten, de link met onze voorouders, ons verleden, en de komende generaties, de toekomst.

De prioriteit is nu een doeltreffende bescherming van dit alles te verzekeren.

(…)

Het volgende weekend komen we terug met onze gasten.

De zaterdag daarop, 24 december, gaan we terug naar de grot, om een pad op de bodem af te bakenen, vooraleer de officiële verklaring af te leggen.

Tijdens de week vooraf hebben we, overlopend van emoties, en onder eed van geheimhouding, onze ontdekking meegedeeld aan Jean-Louis Payan, een jeugdvriend van Jean-Marie, en aan twee andere speleologische kennissen, Michel Chabaud en Daniel André. Natuurlijk willen ze de grot zien, en we nemen hen mee voor een uitzonderlijk gunstbezoek.

(…)

Onze genodigden zijn geschokt en bedanken ons onophoudelijk om hen, door deze uitnodiging, zulk mooi en onverwacht kerstcadeau te hebben « aangeboden ».

(…)

Na ongeveer 500 meter plastiekvellen te hebben uitgerold om de grot te beschermen en om de autoriteiten en wetenschappers te ontvangen die ongetwijfeld op onderzoek zouden komen, en na Sioux-praktijken aan boord te hebben gelegd om niet op te vallen terwijl we naar en van de grot kwamen, vooral door jagers op everzwijnen volle seizoen, hebben we aangifte gedaan bij de autoriteiten. De versmalling was zorgvuldig terug dichtgemaakt en zelfs gecamoufleerd met stof dat zich in de loop der jaren in het ingangszaaltje had verzameld.

De ochtend van 29 december 1994, na ook aan hen uitgebreid over onze ontdekking te hebben verteld, gidsten we op hun beurt Jean Clottes, in die tijd wetenschappelijk raadgever van het ministerie van Cultuur voor wat betreft prehistorische kunst, Jean-Pierre Daugas die conservator was aan de DRAC Rhône-Alpes, en Bernard Gély die gemachtigde was voor het departement Ardèche.

29 december 1994 : J-M Chauvet in gezelschap van de experts – foto Eliette Brunel/Christian Hillaire

(…)

Copyright Brunel/Chauvet /Hillaire 2014

Nederlands : Erik Van den Broeck

top of page